Het is één grote persoonlijke vorming

In gesprek met Phia Verstraete

Phia Verstraete geeft reeds tien jaar lessen gedichten maken bij Galerie Atelier De Kaai in Goes, onderdeel van de Stichting Het GORS. Naast haar werk, volgt zij een opleiding cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit in Vlissingen. In haar vrije tijd houdt zij zich bezig met lezen en schrijven.

“Tien jaar geleden ben ik met een kleine groep begonnen met lessen gedichten maken. Als je goed luistert, kom je erachter dat mensen met een verstandelijke handicap prachtige levensverhalen kunnen vertellen. Nelleke Harinck is bijvoorbeeld een klein filosoofje. Zij schrijft veel, niet in tekst, maar in lijntjes en onthoudt alles. Tijdens de lessen vertelt ze wat ze heeft opgeschreven. Haar vertellingen zetten we in letters op papier. In de loop van de tijd is de groep steeds groter geworden.

Wij zijn tekst ook met schilderingen gaan combineren. Omdat niet iedereen kan schrijven, zetten we gesproken woord soms om in beeld. De dichters schrijven over vriendschap en liefde en maken zelfportretten.

Belevingswereld ontrafelen
Het gaat niet in de eerste plaats om het maken van mooie gedichten, maar om het creatieve proces. Als begeleider moet je goed beseffen dat zelfontplooiing een belangrijk onderdeel is, dat deelnemers gevoelens en gedachten onder woorden brengen en plezier beleven met taal. Je wilt een belevingswereld ontrafelen, hun taalvorming stimuleren en hun gevoel van eigenwaarde vergroten. Je ziet dan dat mensen emoties en ervaringen steeds beter onder woorden brengen en meer zelfvertrouwen krijgen.

Als begeleider moet je integer zijn, gevoel hebben voor taal, goed kunnen luisteren en observeren. Het is tevens belangrijk om een vertrouwensband op te bouwen. Het valt mij op dat veel begeleiders denken ‘gedichten maken, dat kunnen wij ook wel’, maar er komt zoveel bij kijken. Het vereist een flinke portie geduld en je moet er rekening mee houden dat er niet altijd mooie gedichten uit een les rollen. Maar daar gaat het ook niet om. Het gaat voornamelijk om de persoonlijke vorming.

Daarnaast is het belangrijk als begeleider iets te weten van taal en kunst. Maar al te vaak zie ik dat begeleiders zonder enige kennis van creatieve processen in een atelier worden gezet. Ik heb dan ook echt moeten knokken om een docent van de kunstacademie hier te krijgen. Het zal niet de eerste keer zijn dat ik hoor dat nieuwe gedichten van een oud-leerling bij een andere instelling niets meer voorstellen. Terwijl die persoon onder deskundige begeleiding heel mooie gedichten maakte!

Ik zie ook wel eens dat begeleiders bepalen wat wel en niet in een kunstwerk wordt verwerkt. Gewoon om als atelier te scoren. Dan schiet je het doel totaal voorbij. Het gaat erom dat de eigenheid van een persoon tot uiting komt in een kunstwerk. Wat houdt iemand bezig en waar blijft hij steken? Dat pedagogische aspect probeer ik langzaam uit te bouwen.

Begeleider naar de achtergrond
In mijn ogen wordt in de zorg weinig aandacht besteedt aan een persoon op zichzelf. Het is de groep verstandelijk gehandicapten. Artistieke activiteiten vinden vaak in grote groepen plaats. Tijdens een dagbesteding moet iedereen dezelfde opdracht doen. Van alle kanten worden er zaken voor ze geregeld en gedaan. Met als gevolg dat ze niet hebben geleerd om zelf eens op onderzoek uit te gaan. Je komt pas echt achter de diversiteit en beleveningswereld van een individu als je goed kijkt naar hoe verschillend mensen zijn.

De manier van lesgeven verschilt dan ook per persoon. Zo is er een deelnemer die heel veel boeken leest. Bij navraag blijkt dat ze niet meer precies weet wat ze heeft gelezen. Daarom vraag ik haar om de personages uit een bepaald boek te tekenen. Op die manier probeert ze het verhaal opnieuw te vertellen. Zo ontdek je wat ze wel en niet opneemt.

Tijdens de lessen probeer ik mezelf als begeleider zoveel mogelijk op de achtergrond te plaatsen. Laat die persoon maar aan het werk! Soms gaan we bijvoorbeeld naar een museum of naar buiten. Dan vraag ik ze om de lente in een gedicht te beschrijven. Soms nemen ze zelf gedichten mee of ik lees gedichten voor. Of ik geef de opdracht om een favoriet gedicht op te zoeken. Vooral dat laatste blijkt moeilijk te zijn. Deelnemers zijn niet gewend om zelf op onderzoek uit te gaan. Dat valt mij echt tegen.

Onzeker
Opvallend is bovendien dat veel deelnemers moeite hebben met het leveren van kritiek. Ze zijn heel loyaal en doen eerder iets voor een ander dan voor zichzelf. Daarom voeren wij ook discussies met elkaar en proberen we toch kritisch te zijn.

De gedachten zetten we om in woorden en letters. Zo leer je de mensen goed kennen en kom je erachter dat ze vaak onzeker zijn. Juist het stimuleren van communicatie levert een groot gevoel van eigenwaarde op. Een vrouw had in het begin bijvoorbeeld veel moeite met het feit dat ze het syndroom van Down heeft. Juist door daar via Taalvorming aandacht aan te besteden, is ze een stuk zelfverzekerder geworden. Ze zegt zelfs dat ze zich wel eens de ‘koningin van Zierikzee’ voelt.

Alle deelnemers zeggen in het begin dat ze ‘nergens goed in zijn’. Maar daar trap ik allang niet meer in! Veel mensen met een verstandelijke handicap voelen zich minderwaardig. Maar al te vaak komt dat doordat talenten bijna nooit gestimuleerd of aangeboord zijn.

Angst, dood en liefde
Ook hebben veel mensen niet geleerd om te gaan met angst, dood of liefde. Dat proberen we tijdens de lessen onder woorden te brengen. Daardoor krijgen gedachten en gevoelens een plekje. Nelleke Harinck werd vroeger weggehouden van wezenlijke onderwerpen. Ze dachten ‘daar kan ze niet mee omgaan, dat doet alleen maar pijn’. Maar het blijkt juist dat ze een enorm gevoelsmens is.

Soms komt ze hier ’s ochtends binnen met een verhaal dat ze thuis in lijntjes heeft uitgeschreven. De verhalen in haar hoofd moet ze dan ‘kwijt’. Dan vertelt zij haar verhaal en de sterke punten schrijf ik letterlijk op. Onderstaand gedicht illustreert zo’n vertelling. Je vraagt je soms af waar ze al die mooie verhalen vandaan haalt! Zij zegt in één zin waar anderen allerlei ingewikkelde toestanden over kunnen maken.

Ik wil over
de
dingen nadenken.

Soms lukt
dat
niet.

Ik zie het wel
in mijn hoofd.

bloemen
strand
zee

mensen
Van mijn hoofd
komt het

er niet
uit.

Het komt
er niet
uit.

Het komt
er niet
uit.

Zoals ik wil.

Doordat je tijdens de lessen bezig bent met persoonlijke verhalen, ontdek je wat mensen bezighoudt. Bij een vrouw kwamen we er bijvoorbeeld achter dat ze een boek aan het schrijven is. Daar zou je bij andere dagbestedingactiviteiten niet zo snel achter komen. Uit een studiedag van onze stichting bleek laatst nog dat de dagactiviteiten in hoofdzaak op werk zijn gericht.

Stigma
Over gevoelens en intimiteit wordt op het werk weinig gesproken. Je kunt het er wel over hebben, maar verder is het een afgescheiden geheel; onderling gebeurt er weinig. Als mensen hier verliefd zijn, besteden we daar aandacht aan in de groep, als zij dat willen. Hoe zit het met vriendschap en verdriet, waar zit je mee en hoe ga je ermee om? Daar wordt een persoon rijker van. Je leert vragen stellen en interesse tonen in iemand anders.

Dat wordt in de gehandicaptenzorg vaak niet onderkend. Mensen met een verstandelijke handicap hebben van meet af aan een andere start. Het stigma dat zij opgedrukt krijgen door de maatschappij, is bepalend bij alles wat zij willen ondernemen. Normalisatie is een woord dat je vaak hoort in de zorg. Maar als je ziet aan hoeveel afspraken gehandicapten zich moeten houden en wat er geregeld en bedacht wordt door hulpverleners, dan vraag ik me af of die wereld wel zo normaal is.

Ik hoop dat mensen met een verstandelijke handicap door Taalvorming dichter bij zichzelf komen en dat zij mogen zijn wie ze zijn. Ach, het is eigenlijk één grote persoonlijke vorming.”

Uit: Handboek Taalvorming Vissen zwemmen leren